Op basis van deze drie assumpties formuleert Mayer zeven principes waarmee ontwerpers van multimediale leermaterialen best rekening houden. Deze principes komen sterk overeen met de kenmerken van leren volgens het constructivisme, maar zijn praktischer gericht op het ontwerpen van leermateriaal.
1. Het multimediaprincipe: studenten leren beter wanneer de informatie aangeboden wordt in een combinatie van tekst en beelden, dan wanneer ze alleen tekst of beelden gepresenteerd krijgen
2. Het spatial contiguity principe: studenten leren beter wanneer tekst en beelden die met elkaar in verband staan dicht bij elkaar gepresenteerd worden. Wanneer toehoorders zelf naar de verbanden tussen de gepresenteerde informatie moeten zoeken, dan wordt hun werkgeheugen zwaarder belast, waardoor ze minder cognitieve ruimte overhouden voor het eigenlijke leren
3. Het temporal contiguity principe: studenten leren beter wanneer corresponderende tekst en beelden simultaan gepresenteerd worden
4. Het coherentieprincipe: leren verloopt vlotter wanneer overtollige informatie wordt vermeden. Hoewel anekdotes, achtergrondmuziek, leuke foto‟s, enzovoort vaak toegevoegd worden aan leermiddelen omwille van hun motiverende waarde, kunnen ze ook een negatieve invloed hebben op het leren. „Overdaad schaadt‟ is hier dus zeker geen loos begrip
5. Het modaliteitsprincipe: studenten leren beter van beelden of animaties met geluid (gesproken tekst) dan van beelden of animaties met geschreven tekst. In het eerste geval worden immers beide cognitieve verwerkingskanalen benut, waardoor er diepgaander leren optreedt
6. Het redundantieprincipe: leren wordt belemmerd door een teveel aan overtollige informatie. Het is dus niet nodig om tekst te projecteren wanneer die ook auditief aangeboden wordt
7. Het principe van de individuele verschillen: leren wordt beïnvloed door de aanwezige voorkennis en door het ruimtelijk inzicht van studenten. Wie een grotere voorkennis heeft, kan die gebruiken om onduidelijkheden of lacunes in de presentatie op te vangen. Studenten met een goed ruimtelijk inzicht blijken dan weer makkelijker en sneller mentale netwerken op te bouwen.
1. Het multimediaprincipe: studenten leren beter wanneer de informatie aangeboden wordt in een combinatie van tekst en beelden, dan wanneer ze alleen tekst of beelden gepresenteerd krijgen
2. Het spatial contiguity principe: studenten leren beter wanneer tekst en beelden die met elkaar in verband staan dicht bij elkaar gepresenteerd worden. Wanneer toehoorders zelf naar de verbanden tussen de gepresenteerde informatie moeten zoeken, dan wordt hun werkgeheugen zwaarder belast, waardoor ze minder cognitieve ruimte overhouden voor het eigenlijke leren
3. Het temporal contiguity principe: studenten leren beter wanneer corresponderende tekst en beelden simultaan gepresenteerd worden
4. Het coherentieprincipe: leren verloopt vlotter wanneer overtollige informatie wordt vermeden. Hoewel anekdotes, achtergrondmuziek, leuke foto‟s, enzovoort vaak toegevoegd worden aan leermiddelen omwille van hun motiverende waarde, kunnen ze ook een negatieve invloed hebben op het leren. „Overdaad schaadt‟ is hier dus zeker geen loos begrip
5. Het modaliteitsprincipe: studenten leren beter van beelden of animaties met geluid (gesproken tekst) dan van beelden of animaties met geschreven tekst. In het eerste geval worden immers beide cognitieve verwerkingskanalen benut, waardoor er diepgaander leren optreedt
6. Het redundantieprincipe: leren wordt belemmerd door een teveel aan overtollige informatie. Het is dus niet nodig om tekst te projecteren wanneer die ook auditief aangeboden wordt
7. Het principe van de individuele verschillen: leren wordt beïnvloed door de aanwezige voorkennis en door het ruimtelijk inzicht van studenten. Wie een grotere voorkennis heeft, kan die gebruiken om onduidelijkheden of lacunes in de presentatie op te vangen. Studenten met een goed ruimtelijk inzicht blijken dan weer makkelijker en sneller mentale netwerken op te bouwen.